NEN-3140 installaties

Op het gebied van veiligheid en arbeid is de Arbo-wet 1998 van kracht. In deze Arbo-wet zijn zowel verplichtingen voor de werkgever als de werknemer opgenomen. Nadere invulling van deze wet is verkregen door het Arbo-besluit en Arbo-regeling. De Arbobeleidsregels verwoorden het overheidsbeleid inzake de Arbo-wet. De arbeidsinspectie hanteert de beleidsregels bij de handhaving van de Arbo-wet. In de beleidsregels wordt vaak verwezen naar normen. De norm NEN EN 50110/ NEN 3140 wordt gehanteerd als “de stand der techniek” en door de arbeidsinspectie als dé norm beschouwd.


Als de arbeidsinspecteur een overtreding constateert zal afhankelijk van het feit een waarschuwing, een boete of een strafproces volgen.


De werkgever is primair verantwoordelijk voor naleving van de meeste bepalingen in de Arbo-wet. Op het gebied van elektrische veiligheid in het kader van de Arbo-wet is het de taak van de werkgever er voor te zorgen dat elektrische installaties, apparaten en toestellen veilig te gebruiken zijn.

 

Om veilig gebruik van elektrische installaties zoveel mogelijk te waarborgen schrijft NEN EN 50110 voor, dat elektrische installaties periodiek moeten worden geïnspecteerd. De inspectie bestaat uit een visuele inspectie en uit een inspectie door meting en beproeving. De inspectie die beschreven is in NEN EN 50110 geldt voor bestaande installaties. Nieuwe installaties moeten worden geïnspecteerd volgens NEN 1010.

 

Inspecties worden om de volgende vier redenen uitgevoerd:

  1. Men gaat na of de omstandigheden waaronder de installatie functioneert, dezelfde zijn als die waarvoor de installatie is ontworpen;
  2. Men gaat na of de installatie nog voldoet aan de normen, die zijn gehanteerd bij de opzet en de bouw van de installatie;
  3. Men spoort gebreken en defecten op en legt deze vast;
  4. Men bepaald aan het hier bovenstaande de staat van onderhoud en daarmee de veiligheid van de installatie.

Het vastleggen van gebreken en defecten in een rapport hebben de volgende functies:

  1. Het geven van een goed en onderbouwd oordeel van de installatie;
  2. Het vergelijken van de staat van onderhoud van de installatie bij latere inspecties;
  3. Het aangeven van een gefundeerd oordeel over toename of afname van de veiligheid van de installatie.